Alle berichten van Annemarie van Ginkel

Interview met kinderopvang ‘De Sprank’ voor Driegonaal

Hoe de neutralisatie van de kinderopvang leidde tot meerdere bloeiende ondernemingen, een interview met Judith van El en Manon Wolfert van ‘de Sprank
door Anne van Ginkel

Wat is ‘de Sprank’?

‘De Sprank is een collectief, bestaande uit – nu nog- 5 personen. Wat we doen is verbindingen aangaan met andere initiatiefnemers. We ondersteunen vanuit onze eigen ervaring met de transitie van een traditionele bedrijfsvoering naar ondernemingen die ‘van zichzelf zijn’, dat wil zeggen dat het kapitaal in zo’n onderneming niet persoonsgebonden is.
Onze leidraad daarbij is de sociale driegeleding.’

Hoe zijn jullie aan die ervaring gekomen, ofwel, hoe is de Sprank begonnen?

‘We zaten allebei in het vrijwillige stichtingsbestuur van ‘de Vrije Speelklas.’ De Vrije Speelklas was en is een peuterklas voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar, op antroposofische basis. We zitten in het gebouw van de Vrije School. Rond 2013 kwam er, ook voor de peuteropvang, strengere regelgeving vanuit de overheid, zodat we steeds meer protocollen paraat moesten hebben. Vragen als: Wanneer moeten de juffen hun handen wassen? Wat doe je als een kind vermist is? En nog duizend dingen meer moesten in protocollen worden vastgelegd.
Tegelijkertijd was de Vrije School niet meer tevreden over de B.S.O. (buitenschoolse opvang) van de school. Die werd op dat moment verzorgd door Tatatoek, onderdeel van een grote organisatie. Doordat Tatatoek moest meebewegen in het verdienmodel van die organisatie was het niet goed mogelijk om daar het antroposofisch gedachtengoed te handhaven. Er moest telkens bezuinigd worden, of zieke juffen werden vervangen door mensen zonder kennis van de antroposofie. Medewerkers werden per uur betaald voor het werken met de kinderen, zodat het overige werk, dat ook moet gebeuren, steeds minder gedaan werd. Kortom, ouders waren niet tevreden en gingen hun kinderen naar andere plekken brengen; Tatatoek moest stoppen.
Omdat een school verplicht is om ervoor te zorgen dat er ook een B.S.O. is, volgde een aanbesteding, waar we aan mee wilden doen. Door alle veranderingen die we bij de peuters al hadden moeten doorvoeren was het een kleine stap om ook in de middag voor de wat oudere kinderen een fijne plek te creëren, daarvoor was immers hetzelfde werk nodig dat we al voor de kleintjes deden.  Om dat te kunnen moesten we een andere ondernemingsvorm dan een stichting hebben, waarop we ‘de Sprank’ hebben opgericht. ‘De Sprank’ is een commanditaire vennootschap, hetgeen betekent dat wij de uitvoerende vennoten zijn, daarnaast is er een stille vennoot die investeert. In ons geval is dat stichting Sleipnir.

Hoe ging dat, met die aanbesteding?

‘We wonnen hem, dus vanaf dat moment in 2014 was B.S.O. ‘het Grote Huis’ een feit. Dat wil zeggen, we maakten een geleidelijke overgang. We voerden gesprekken met alle mensen die bij Tatatoek werkten. Twee van hen zijn mee over gegaan naar ‘het Grote Huis’. Het was uiteindelijk bijna een jaar werk voor het stond. In september 2014 zijn we met 80 kinderen begonnen, dat aantal is inmiddels verdubbeld. Ouders ontdekten dat de kwaliteit terug was, het gevoel van schaarste was weg. Er was weer brood met kaas, de sfeer was ontspannen.

Hoe kan dat, dat het financieel zoveel beter ging met het Grote Huis dan met Tatatoek?

‘Wij zijn geen grote organisatie met een winstoogmerk. We hebben geen overhead, het geld dat ouders meebrengen wordt direct hier besteed, daardoor hebben we nooit tekort. Bovendien communiceren we met zowel ouders als medewerkers. Dat is goed voor het gemeenschapsgevoel en de ouders zien wat er met hun bijdrage gebeurt. Met medewerkers voeren we een behoeftegesprek, zodat ze verdienen wat ze nodig hebben. We verwachten ook van de medewerkers dat ze als ondernemer voor de klas staan, dus zelf zorgen voor een werkdag met eigenheid en samen het huishouden draaien.’

En hoe ging het toen verder?

‘Een andere vrije school in Den Haag Zuid zat in een vergelijkbare positie. De B.S.O. daar viel onder organisatie DAK, ook een grote aanbieder. In het begin gaat dat dan goed. Er werken fijne mensen met antroposofische idealen. Maar na verloop van tijd moeten ze mee bezuinigen en kunnen hun manier van werken niet meer volhouden. Zij wilden dus een vergelijkbare transitie zoals wij achter de rug hadden en vroegen ons om advies. Aangezien wij veel energie krijgen van de opstartfase van zo’n project werden we medevennoot bij deze nieuwe B.S.O. die ‘Olles Huis’ is gaan heten. We zorgden voor hun startkapitaal, dus zij hoefden niet naar een bank. Daarnaast hielpen we verbouwen, vergunningen regelen, ruimtes inrichten en alles wat er verder bij komt kijken. Inmiddels is ‘Olles huis’ zo gegroeid dat ze eraan toe zijn om ook een commanditaire vennootschap te beginnen, zij sluiten zich zelfstandig aan bij Sleipnir.

En er waren meer initiatieven. Een kinderdagverblijf in Amsterdam stond te koop, de eigenaar wilde er een ton voor hebben. We zijn gaan praten: “Als iemand het koopt voor een ton en er een inkomen uit moet halen dan is dat niet haalbaar, dan houdt het op”, zeiden we. En we legden uit dat het zou kunnen voortbestaan op onze manier. Nu biedt ‘het Rozentuintje’ onderdak aan twee vennoten en zes kinderen. En op Texel zijn we vennoot van ‘de Sterrekijker’ en ‘het Sterrekind’.

Jullie hervormen de kinderopvang?!

‘We hebben inmiddels veel ervaring opgedaan en we geloven dat het economisch anders moet. Bovendien zijn we goed in uitzoeken hoe we zo’n transitie mogelijk kunnen maken. Er komt een hoop bij kijken, mensen moeten letterlijk anders leren denken. “Wat heb ik nodig?” is de vraag. Niet “Hoeveel kan ik krijgen?” Met de mensen die bij ons werken voeren we dan ook veel behoefte-gesprekken. De mensen op de groep zijn nu nog in loondienst, dat willen we graag veranderen. Werk en inkomen scheiden, ook in onze eigen organisatie. Dat vraagt een andere focus. Je gaat je afvragen wat passend is, in verhouding tot anderen en of jouw behoefte misschien ten koste gaat van iets of iemand anders. Daar is veel vertrouwen voor nodig, dus dat vraagt veel ontmoeten. Je moet ook iets van een ondernemer hebben: de verantwoordelijkheid nemen voor wat je doet, verder kijken dan je taken. Alles met elkaar doen.
Overigens werken we niet alleen in de kinderopvang. We zijn bijvoorbeeld ook bezig met een gezondheidscentrum. Er komen steeds meer vragen op ons pad.

Hoe zien jullie de toekomst? ‘Wij experimenteren en doen de dingen stap voor stap. We geloven in de tijdgeest. Er zijn nu dingen aan de orde die er zes jaar geleden nog niet waren. Bestaande systemen gaan knellen, dus moet er iets nieuws komen. Wat weten we nog niet.
Het opzetten en zoeken naar mogelijkheden is echt heel leuk, al moet er wel initiatiefkracht zitten bij de mensen met een vraag. De Sprank heeft blijkbaar aantrekkingskracht op anderen. We zijn continu in beweging, dat kan morgen anders zijn dan vandaag. Het is één grote ontdekkingstocht, veranderende wet- en regelgeving, iemand die ziek is – we stellen steeds de hamvraag :”Willen we dit zo? Zouden we het ook heel anders kunnen doen? Dat houdt het boeiend.’

Interview met Dipam ondernemer Sebastian Klijnsma voor Driegonaal

Voor deze editie van Driegonaal sprak ik met de huidige voorman van Dipam, van de bijenwaskaarsen :

Sebastian Klijnsma, een aanstekelijke ondernemer

Vertel eens wat over jezelf? Uit wat voor nest kom je? Hoe ben je opgegroeid?

Mijn moeder gaf les op een Vrije School, mijn vader was dominee. Ik ben de oudste van drie kinderen. Vanwege mijn vaders beroep verhuisden wij veel, wel een keer of tien gedurende mijn kindertijd.

Hoe was dat voor je?

Dat was heel vervelend, zoveel verhuizen, iedere keer weer. Ik wilde graag sporten, maar kon nooit in een team blijven. Je wortelt niet. Ik weet niet of het in me zit, de onrust, of dat ik die heb opgelopen door zo vaak te verhuizen. Ik heb ADHD en ik  ervaar niet zo makkelijk vertrouwen in mijn omgeving. Ik kan me wel snel en makkelijk aanpassen, maar echt vertrouwen duurt langer. Dat gold ook voor mijn zelfvertrouwen.
Vanwege de vele schoolwissels werd ik niet goed gezien. Ik ben ook wat teleurgesteld in het Vrije Schoolonderwijs; ze waren niet in staat om me te zien. Ik mocht ook niet naar de bovenbouw in Groningen, daar was ik ‘te dom’ voor.

Waar ging je toen naartoe?

Edith Boeke had toen net een tuinbouwschool in Meppel opgericht, daar ging ik heen. Zij zag het wel in mij: ”Sebastian”, zei ze, “je bent hier niet op je plek. Laten we een HAVO voor je zoeken.”
Zo kwam ik op een kleinschalige HAVO, maar die ging al snel op in een grote scholengemeenschap in Leeuwarden. Dat kon ik niet. Ik raakte de weg kwijt, kwam te laat, werd bestraft, voortdurend onrecht. Daarom ging ik maar terug naar de MAVO, daar was dat kleinschalige nog. Maar ik verveelde me te pletter en op de route naar school lag de windsurfclub..
Uiteindelijk heb ik in Schiedam via de MAVO mijn HAVO diploma gehaald. Daar verveelde ik me ook, maar ik had er een wiskundedocent die zei: ”Ik heb last van je, maar je kunt het denk ik wel. Ik hoef je niet perse meer in de les te zien.” Toen kon ik zelf bepalen wanneer ik naar school ging voor wiskunde, ik haalde een 9. Voor een aantal andere vakken deed ik staatsexamen.

En wat ging je na je middelbare school doen?

Ik ging de wereld veroveren. Heel veel zeilen. Er was een wonderlijke tweedeling in mijn leven: als ik in de bubbel van het wedstrijdzeilen zat, leefde ik in een wereld met champagne en hotels. Daarna stond ik dan weer op straat met mijn tas en honderd euro zakgeld.
Omdat ik wilde leren zeilen maken bood ik me aan bij een zeilmaker. Ik hield wel van de technische complexiteit en het vervaardigen van materialen, maar ik kwam er daar ook achter dat ik eigenlijk een mensenmens ben. Zeilen maken is een solistisch beroep. Dus besloot ik om weer verder te leren. Eigenlijk wilde ik graag naar de sportacademie, maar dat durfde ik niet. Ik was bang dat ik zou moeten turnen en ik wist niet of ik dat wel kon.
En dus ging ik naar de LSOP, een praktijkopleiding tot hoofdagent.
Eenmaal bij de politie ben ik heel snel rechercheur geworden, in de binnenstad van Den Haag. Daar moest ik veel voor leren, maar dat ging me gemakkelijk af. Ik bleek ineens toch een slimme jongen te zijn. Vanuit de politie kon je nog meer studies doen, ik haalde er mijn bachelor voor rechten.

Hoe vond je het bij de politie?

Tja.. ’t is een masculiene cultuur. Het is altijd stuk, het is altijd kapot, je staat altijd met je poten in de bagger. Politiemensen hebben meestal wel een goed hart, ze zijn betrokken bij hun eigen sociale bubbel, maar er zijn ook veel misstanden.
Ik ben een hele snelle denker en ik doorzie dingen snel, dat werd me niet altijd in dank afgenomen.

Geef eens een voorbeeld?

In Rotterdam hadden ze succes gehad met preventief fouilleren, dus dat gingen we in Den Haag ook doen. Het was mijn taak om alle arrestanten te verhoren. In de eerste cel zat een backpacker, die had een mes in zijn rugzak. In de tweede cel zat een slagersjongen die net van de markt kwam en zijn messenset niet achter wilde laten. Toen heb ik mijn opdracht teruggegeven. Ik zei: “Ik ga die jongens geen bon van 390 euro geven, alleen maar omdat jullie je cijfertjes willen opkrikken. Die slagersjongen kan dat niet betalen, dan krijgt hij een verhoging en een strafblad en dan ligt zijn hele leven in puin.”
Dat heette plichtsverzuim.

Ben je er daarom weggegaan?

Ja, daarom en ook omdat ik teveel ellende meemaakte. Omdat ik zo snel ben was ik overal als eerste, ook bij een auto-ongeluk op de A12. Een dronken idioot was met 140 km p/u op een stilstaand busje ingereden. In dat busje zaten allemaal meiden van mijn leeftijd, op weg naar de Floriade, het stond langs de weg met pech. Wat ik toen zag krijg ik niet meer van mijn netvlies. Eigenlijk raakte ik daar overspannen van, al had ik dat zelf niet meteen door. Gelukkig stuurde iemand me naar een therapeut. Ik nam ontslag bij de politie. Achteraf gezien hadden ze me nooit mogen laten gaan in de staat waarin ik toen verkeerde.


En toen?

Toen ging ik bij de NMA werken, de mededingingsautoriteit. Je doet dan onderzoek naar kartelvorming en prijsafspraken, dat soort dingen. Ik zat iedere dag aan tafel met banken, verzekeringsmaatschappijen en energiemaatschappijen. Daar liep ik er tegenaan dat je verzandt in eeuwige juridische procedures, je hebt te maken met regelend recht. Maar de verhoudingen liggen op straat en bevinden zich niet in de ivoren toren waar de besluiten worden genomen.
Ik wil leren van wat ik doe, dus ik wilde mijn werk terugkrijgen, ook als een zaak geseponeerd was. Dat kon soms lang duren, als ik het al terugkreeg. Ook hier heb ik ontslag genomen.
Dit was trouwens wel de tijd dat ik Annerieke, mijn vrouw, tegenkwam.

Hoe ging dat?

Oh, dat kwam door een foute afspraak van een vriend. Ik had met hem afgesproken, maar toen bleek dat hij ook al had afgesproken om met Annerieke naar een muziekuitvoering zou gaan, hij maakte muziek met haar. Dus toen vroeg hij of ik het erg vond om daar mee naar toe te gaan. Zo is het begonnen. Een paar jaar later kwam onze oudste. We kochten een huisje in Scheveningen en omdat Annerieke ook architect is (ze doet nog meer dingen) konden we het helemaal naar onze zin maken. Daar ben ik nu wel echt geworteld.

Omdat ik veel ervaring heb met publiek-private kwesties en een rechtenstudie heb gedaan werd ik veel gevraagd als adviseur. Dat ging op zich goed, maar ik ging wel nadenken over mijn toegevoegde waarde. Mijn salaris moest altijd betaald worden door beginnende ondernemers, die dat geld eigenlijk beter anders konden besteden. Mensen onderscheiden zich vaak door hoe goed ze zijn in het verpakken van lucht. Ik wilde niet ook lucht met een strik verkopen.

Dus daarom Dipam. Hoe kwam je daar terecht?

Er waren eigenlijk drie lijntjes die naar Sleipnir wezen. Eén daarvan was Hans van ‘The Shore’. Die kende ik al van het strand. Ik kwam hem tegen toen hij net van een Sleipnirvergadering kwam en hij vroeg: ”Wil je geen kaarsenmaker worden?”
Dat sprak me wel aan. Het is een ambacht, het is concreet. Ik ben er gaan kijken en ik trof er meteen heel veel werk aan, dus toen ben ik erin gestapt.

Je trof er heel veel werk aan?

Ja! Er was geen bedrijfsprocessensysteem, geen handige koppelingen tussen de voorraad en de boekhouding en er stond veel rommel. Ik kan dat trouwens wel begrijpen van de vorige ondernemer, je moet heel veel intrinsieke scheppingskracht hebben om in je eentje altijd het goede te blijven doen. Je kunt je naar binnen keren, niemand kijkt op je vingers. Met meerdere vennoten heb je meer belangen die elkaar in evenwicht houden.

Wat heb je veranderd bij Dipam?

Om te beginnen werken we nu het hele jaar rond. Ik ben gaan rekenen, toen bleek dat er voldoende capaciteit en ruimte was nadat ik het bedrijf had opgeruimd. Het team ging helemaal achter me staan, een aantal heeft nu een vast dienstverband. We pakten met elkaar de productiemiddelen, het onderhoud en de verpakkingen aan en we hebben de huisstijl veranderd. Er is een nieuwe website.
Er is meer meetbaar geworden, we laten geen kansen meer liggen. Er zijn grote klanten bijgekomen. De beschikbaarheid van bijenwaskaarsen is enorm gegroeid; de omzet groeide het eerste jaar met 17% en dit jaar al met 20%.

Zou je niet eerst naar Den Haag gaan verhuizen? Waarom is dat niet doorgegaan?

Nou.., ik wilde de mogelijkheid open houden om naar Den Haag te kunnen verhuizen, omdat ik daar een relevant netwerk heb. De vorige ondernemer had gezegd dat Dipam moest verhuizen om te kunnen groeien, en het was toen nog maar de vraag of de mensen met mij doorwilden. Maar dat wilden ze wel en er bleek na wat reorganiseren en heel veel weggooien ruimte genoeg te zijn. Dus toen was verhuizen niet meer nodig. Overigens moeten we nu toch verhuizen, want de bedrijfsruimte is verkocht. Ik heb al wel een idee over een andere locatie, maar daar wil ik nu nog niets over kwijt.

Spannend! Ik ben nieuwsgierig. Wat typeert jou als ondernemer?

Ik vraag me steeds af: wat was nou succesvol in eerdere ervaringen? Verder bouw ik op het team. Ik waardeer hun inzet en zie ze als experts op hun gebied, we werken gelijkwaardig samen. Geen functioneringsgesprekken, maar gelijkwaardig overleg. Voor één iemand was dat niet prettig, die wilde liever meer aansturing en die is dan ook vertrokken. Derest is gebleven. Zelf moet ik wel opletten dat ik soms te snel ga. Zo heb ik in mijn eentje geregeld dat er een plek is voor een gehandicapte, maar dat moet het team beslissen en niet ik alleen. Dat is ‘leading from the front’. In de volgende fase van Dipam is een nieuwe leiderschapsstijl nodig, ’leading from behind’, dat ben ik aan het leren.

Heb je nog meer plannen?

Op dit moment ben ik bezig met een nieuwe wasleverancier in Nieuw Zeeland. De omstandigheden zijn daar ideaal en ik ben er bij hem zeker van dat hij bijvriendelijk werkt. Nu werken we nog met tussenpersonen, zodat ik, ondanks verschillende keurmerken, niet 100% zeker ben over hoe de was geoogst is. Die tussenpersonen moeten eruit, ik hoef niet mee te betalen aan de Audi’s van die gasten.

Wat is jouw betrokkenheid met je product? Wat heb je met bijen en bijenwas?

Ik heb een diepe verbinding met was, nog vanuit de vrije school. Ik herken de warmte, de kleur, de kwaliteit, het is een fascinerende grondstof, het lééft! Bijenwas is een ultiem symbool voor dood en geboorte en dat is universeel. Dat ik dan nu de mensen die de kaarsen maken en de omstandigheden waarin ze worden gemaakt kan optimaliseren, dát motiveert mij.

Hoe ervaar jij de samenwerking met Sleipnir?

Sleipnir is een gave club met ondernemers. Ik verlaat me vaak op mensen binnen de club. Met Sleipnir kunnen we meer gezamenlijke prestaties neerzetten. Als iemand bijvoorbeeld de ambitie heeft om meer tafels te maken dan dat hij nu kan, dan kunnen we dat gezamenlijk mogelijk maken. Het is voor een ondernemer soms moeilijk om boven de stof te gaan staan, met elkaar lukt dat beter. En verder is het briljant dat ik zonder bank kan functioneren.

Zie je nog meer kansen voor Sleipnir, nog onbenutte potentie?

De tijd heeft veel gedaan met de omstandigheden.. We zijn een heleboel ervaringen rijker. Onze manier van denken en onze praktische werkwijze mag meer eigen worden. We kunnen beter uitgaan van “Vorig jaar…” dan van “Steiner zei…”
Als we maar blijven praten over wat er wel en niet hoort op basis van ‘wat Steiner zei’ dan komen we niet goed verder. We blijven toch ook niet de hele tijd zeggen: “Je mag niet stelen omdat Jezus dat gezegd heeft”?

Ik vind ook dat de mensen bij Sleipnir wat beter voor zichzelf moeten zorgen. De ideologie leidt ertoe dat het welzijn van de mensen in het geding kan komen.
Men zorgt voor de primaire levensbehoeften. Gezelligheid komt vaak ook nog wel goed, maar we moeten ook zorgen voor de uitgestelde behoeften. Het moeten moet niet meer hoeven. Er komt hoe dan ook een dag dat je niet meer kunt of wilt leveren, dus we moeten als collectief, of individueel, zorgen voor een vangnet voor dat moment.
We kunnen denk ik nog meer intrinsieke kennis en ervaringen uitwisselen. Zelf ben ik bijvoorbeeld enorm benieuwd naar wanneer de rest van de ondernemers zich bij Sleipnir aansluiten in Assen, of waar dan ook.
Laten we naar ieder orgaan op zich kijken en onderzoeken: wat is hier of daar nodig? Op die manier kunnen we nog veel meer met Sleipnir.

Tot slot: hoe zie je Dipam over 5 jaar?

Dan hebben we een optimale kosten-baten structuur en staat het ambacht centraal. Verder blaken we natuurlijk van ondernemerschap en initiatiefkracht; dat blijft het mooiste. Kansen en mogelijkheden zien.

Interview met financieel adviseur Henk Reedijk voor Driegonaal

Schrijver dezes heeft van huis uit een diep wantrouwen meegekregen jegens een ieder die zich graag met geld bezighoudt. Vandaar dat het verzoek van Driegonaal om een financieel adviseur te gaan interviewen die onlangs zijn bedrijf – dat een miljoen waard is- heeft geneutraliseerd, eerst verbazing en meteen daarna grote nieuwsgierigheid wekt. Op een winderige donderdag reis ik daarom naar Fijnaart, voor een ontmoeting met Henk Reedijk, tot voor kort eigenaar van De Advieswinkel.

Henk Reedijk blijkt 70 jaar en een onderhoudende spreker. Omdat ik graag een beeld wil krijgen van zijn persoon stel ik hem eerst wat vragen over zijn achtergrond:

Waar kom je vandaan?

“Ik ben geboren in Maasdam, als vierde van zes kinderen. We waren een echt arbeidersgezin met een hekel aan de rijke boeren, want die hadden mijn opa ontslagen en zijn zonen weer aangenomen voor een tiende van zijn loon.
Iedereen werkte in de vlasfabriek destijds, maar mijn pa kon niet tegen het vlas, dus die ging van alles doen: hij was postbode, bracht bladen rond en verkocht ook verzekeringen, al had hij daar totaal geen verstand van. Hij had ook leghennen en was eierhandelaar.
Het was een heel andere tijd toen, je ouders legden je geen strobreed in de weg. Toen ik vier was ging ik roeien met mijn kleine zusje, we konden geen van beide zwemmen. Dat mocht gewoon.

Zelf mocht ik naar het gymnasium, maar ik bleef zitten in de tweede en nog een keer in de vierde, dan moest je eraf. Toen besloot ik maar beroepsmilitair te worden, ik was 17 jaar. Eerst kreeg ik een spijkerharde beroepsopleiding aan de KMS, de Koninklijke Militaire School, daar werd ik aspirant-sergeant.
Al gauw ontdekte ik dat het militaire niet mijn wereldje was, maar we hadden getekend voor 6 jaar. Ik heb de hele trukendoos omgekeerd en toen ik uiteindelijk dienstplichtige soldaten hielp dienstweigeren, lieten ze me gaan. Daarop ging ik naar de HBS, daar slaagde ik cum laude. Meteen daarna ben ik economie gaan studeren.
Om die reden zei m’n vader: “Ga jij de verzekeringen maar doen van drie mensen uit de buurt. En onze eigen.” Tussen de bedrijven door haalde ik mijn verzekeringsdiploma.”

Dus zo begon je?

“Ja, al leefde ik in twee werelden. In Rotterdam was ik een linkse student en deed mee met de leiders van het studentenprotest, zoals Egbert van der Poel en Arthur Boelsma. Thuis had ik een vrouw, ik trouwde in ’72 en kreeg mijn eerste kind in ’74. Dat ging goed, ik kreeg een hele goede beurs, ook voor vrouw en kind en ik verdiende bij met de verzekeringen. Vervolgens moest ik ineens op herhaling komen voor militaire dienst, daar maakte defensie nog een hoop werk van. Maar ik ook. Ik moest er een hoop moeite voor doen, maar ben uiteindelijk ‘erkend gewetensbezwaarde’. Ik ben denk ik de enige gewetensbezwaarde die eerst beroepsmilitair is geweest.”

Hoe lukte het je om je bedrijf zo groot te maken?

“Dat ging niet in één keer. Eerst kwam, eind ’75, de inspecteur van de verzekeringsmaatschappij ‘De stad Rotterdam’, ene Johan, aan me vragen of ik wilde samengaan met hem. Helaas was Johan te lui om te werken, dus die heb ik in ’77 uitgezwaaid en ben voor mezelf begonnen in een garage in Fijnaart. Een jaar later kocht ik een groter pand, ik had drie man personeel. Als je in die tijd nieuwe klanten kreeg ging de provisie gedurende het contract naar je voorganger, dus je deed al heel veel voor je nieuwe klant, maar je verdiende nog niks. Omdat ik  daarna ook nogal moeizaam ging scheiden, donderde de hele boel in elkaar. Maar ik ben een ras optimist, dus ik bleef zeggen: ’het komt allemaal goed’.”

En kwam het goed?

“Nou, eerst ging het écht fout. Tijdens de crisis van ’85 had ik een negatief vermogen van een half miljoen gulden. ABN-AMRO zei: ‘We stoppen ermee’ en ze stuurden een mannetje van ‘bijzonder beheer’ op me af.”

Oei! Hoe ging dat verder?

“Ik heb een hele rijke broer, Marcus. Toen de bijzondere beheerder op bezoek kwam zat hij in een hoekje van de kamer. De functionaris gedroeg zich arrogant. Hij stelde zich niet voor en zei alleen: ’Kan je mijn jas niet aanpakken?’ Marcus werd boos, vloog van zijn stoel en sodemieterde hem zo de deur uit. Daarna nam hij mijn schuld over, die ik overigens met rente heb terugbetaald. In 1990 waren we weer gezond.”

Waarin verschil jij van je concullega’s?

“Kijk, ik ben een rooie met een pragmatische inslag. Ik kom bij de mensen thuis. Ik hou heel veel van mijn werk want je pakt iemands persoonlijke situatie, zelfs zijn emotionele situatie en dan bedenken we de beste oplossingen voor diegene. Ik ga ook tegen de trend in als het moet. Zo is iedereen nu tegen de aflossingsvrije hypotheek, maar ik zou die rustig adviseren. Door het alternatieve karakter van het kantoor trekken we alternatieve klanten aan, ook mensen aan de onderkant van de maatschappij.”

Hoe en waarom kwam je bij Sleipnir?

“Eind 2014 zou ik 65 worden. Mijn collega’s knepen hem als een ouwe dief natuurlijk, bang dat ik het bedrijf zou verkopen. Maar het personeel en de klanten hebben samen met mij het bedrijf gecreëerd. Als ik dan een miljoen in mijn zak zou steken ben ik een verrader. En dus loopt het anders. Begin 2014 ging ik uit eten met Ben Gevonden, toen directeur van Odin, al 25 jaar onze grootste klant. Ik zocht een oplossing voor mijn bedrijf voor als ik met pensioen zou gaan en Ben tipte me Sleipnir. Het bedrijf neutraliseren leek me een perfecte oplossing. Maar de verzekeringsportefeuille was een miljoen waard, dus ik moest nog wel even met Marcus overleggen. Die zei: ‘Je bent helemaal gestoord, een miljoen weggeven! Maar ik snap wel dat jij dat doet.’ Tja, als ik het zou verkopen vernietig ik de hele zaak, dat heb ik wel bij anderen zien gebeuren.
Daarna heb ik Jan Saal bij ons uitgenodigd, die heeft voor het hele personeel een soort presentatie gegeven over Sleipnir.”

Wat vond het personeel daarvan?

“Die waren hartstikke blij natuurlijk! Ze kunnen blijven werken, ook als ik met pensioen ga. Je kunt echt merken dat ze denken: ‘Hij heeft het dus niet voor het geld gedaan!’. Nu weten ze dat het zuiver is. Het bedrijf is nu ook van hun, dat voelt toch anders. Kijk, als je je extra inzet voor een bedrijf en de baas steekt dat allemaal in z’n eigen zak dan heb je een andere situatie. De sfeer is nu heel positief, iedereen voelt zich nog meer betrokken.”

En hoe vind jij het bij Sleipnir?

“Het bevalt me uitstekend, blij dat ik het gedaan heb, ik voel me er thuis. Het zijn allemaal geweldige mensen met veel idealen, dat is een verrijking van mijn leven. Ik ben er wel een beetje een buitenbeentje, ik heb mijn bedrijf aan Sleipnir gegeven voor de kapitaalneutralisatie. Met het spirituele gedeelte van Sleipnir heb ik wat minder, dat is mijn pragmatische instelling. Wel probeer ik dat antroposofische er een beetje in te krijgen bij de collega’s, maar dat valt niet mee. Zo hadden we een biologisch kerstpakket, maar dit jaar wilden ze toch wat anders.”

Aan wie zou je aansluiting bij Sleipnir aanbevelen en waarom?

“Aan alles en iedereen! We willen er zoveel mogelijk mensen bij hebben. De wereld zou er fantastisch uitzien als er alleen maar bedrijven waren zonder eigenaar..”

Hoezo dat?

“Bij veel mensen gaat de vreugde weg omdat alles alleen maar over geld gaat. Bedrijven die bedrijven opkopen zijn een ramp, kijk maar naar V & D. Ze kopen een bedrijf met een gezonde balans op. Dan stoppen ze er maximaal schulden in zodat ze meer winst kunnen maken. Op die manier worden medewerkers en afnemers afgeknepen, dan gaat de lol eraf. In een geneutraliseerd bedrijf gebeuren dat soort dingen niet.”

Trainingsacteren

Hopelijk trap ik voor vakgenoten met deze blog een open deur in..:

Een trainingsacteur is iemand op wie je communicatie kunt oefenen. Als het goed is heeft deze persoon, naast het vermogen om zich als een ander voor te doen, voldoende invoelend vermogen en empathie om zijn spel volledig aan te passen aan de leerervaring van de ander. Dat vraagt niet alleen goed luisteren naar wat die ander wil leren, maar ook gevoeligheid voor wat die ander kán leren en op welke manier. Daar je spelaanbod op afstemmen is de werkelijke meerwaarde van een trainingsacteur.

Het achtervoegsel acteur in ‘trainingsacteur’ is, om het op z’n Hollands te zeggen, verneukeratief. Acteur impliceert voor veel mensen dat de aandacht naar hem of haar moet uitgaan. De acteur doet iets, de ander is publiek. De acteur doet bij voorkeur dingen die de ander wel herkent, maar zelf niet durft. Dat is allemaal prachtig, zeker als zo’n acteur er ook een beetje goed in is, maar niet in een training. In een training draait het om de cursist en niet om de acteur. Daar moet je als acteur zelfs je best voor doen, kortom, zo naturel en afgestemd zijn dat de cursist als het ware vergeet dat je een speler bent en niet de werkelijkheid. Pas dan doe je wat je moet doen, namelijk levend leermiddel zijn.
Bovenstaande geldt vooral voor rollenspelsituaties. Bij andere werkvormen kan het wel degelijk nuttig zijn om dingen uit te vergroten, metaforen te gebruiken of helemaal geen tekst, maar ook dan stelt de goede trainingsacteur de cursist centraal en niet zichzelf.

Ik heb dat wel eens moeilijk gevonden. Niet om mezelf op de tweede (of laatste-) plaats te zetten, daar was ik wel goed in. Maar om vervulling te vinden in volledig dienstbaar zijn. De complimenten kwamen in overvloed, maar gingen zelden over mij. De cursist is blij als hij begrepen wordt, iets leert, een goede beoordeling krijgt. De trainer is blij als de cursisten blij zijn. Het bureau is blij met goede evaluaties. Mensen willen wel horen wat er leuk, goed en fijn is aan ze, maar liever niet geconfronteerd met wat er niet klopt. Het hoort dus bij mijn vak om ook de dingen die niet kloppen terug te geven, maar vanuit de liefde in mijn hart, met begrip en mededogen.
Zolang ik voor non-profitorganisaties werkte was dat gemakkelijk. Wie kan er niet respect opbrengen voor een ambulancebroeder, iemand van een zorginstelling, een journalist, een arts zonder grenzen? Moeilijker vond ik het worden toen ik hoger in de boom terecht kwam en op het laatst alleen nog met managers van supermarktfilialen, verzekeringsmaatschappijen en banken werkte. Omdat het voor deze mensen vaak zo evident was dat ‘meer omzet draaien’ belangrijker is dan het welzijn van klanten of medewerkers.. Van lieverlee ben ik een tijd lang iets anders gaan doen.

En nu ben ik weer terug, omdat het bij me past om mijn expressieve vermogen in te zetten om een ander verder te helpen. Ik zie het als een spiegeldienst waarbij het vooral waardevol is om iemands eigenheid oordeelloos te spiegelen. Het is niet aan mij welke concrete zaken de persoon met zijn of haar eigenheid in de wereld gaat zetten. Wel kan ik mogelijk helpen om zelfinzicht en zelfbewustzijn te vergroten, zodat de cursist een grotere keuzevrijheid heeft. En verder ben ik nog steeds grenzeloos nieuwsgierig naar hoe mensen in elkaar zitten, kan ik makkelijk en prettig spelen en is mijn feedback nog altijd adequaat.
Wat er veranderd is sinds ik in 2014 stopte is dat ik dieper kan voelen en kijken. Grappig genoeg word ik daarmee eerder lichter dan zwaarder in mijn spel en feedback.
Ik ben ook benieuwd hoe het met mijn collega’s gaat. Is er iets veranderd in het werkveld? Worden er andere dingen van jullie gevraagd? Wanneer is jouw werkdag geslaagd? Wat heb je geleerd en van wie?

Opdrachtgevers, trainers, collega’s en cursisten, ik kijk ernaar uit jullie weer te zien!

Wortelen

“Ik ben een soort mos, mijn wortels gaan sowieso niet zo diep”, zegt Stein. ”Ik kan gemakkelijk op een natte steen groeien en als je die verplaatst is er niks aan de hand.” Het is Steins reactie op mijn vraag in een interview voor een item voor RTV Arnhem. Het onderwerp is een festival over ontworteld zijn. Een kunstenaar hangt een boom ondersteboven op en het is de bedoeling dat mensen hun verhalen over wortels of het ontbreken daaraan met elkaar gaan delen.

Tijdens mijn onderzoekje valt het me op dat iedereen iets anders associeert bij ‘wortelen’. De één denkt aan zijn ouders, de ander aan ontspanning en een derde aan onvrijheid.
Aangezien ik zelf weinig kaas gegeten heb van geworteld zijn probeer ik de ervaringen van anderen mee te beleven.

Het is me vaak verteld: ‘Je moet aarden!’ ’Hier, doe deze oefening, eet aardappels, adem naar je buik, ga op je blote voeten in de tuin staan.’ Wanneer ik de adviseur in kwestie deskundiger acht dan mijzelf pas ik de goede raad meestal toe. Met wisselend resultaat. Het lijkt erop dat het niet zozeer uitmaakt wát ik doe, bij wortelen, maar hóe ik het doe. De aandacht, die doet het hem. Mezelf oordeelloos waarnemen, met een zachte glimlach om de lippen, zelfs wanneer ik zeer halfslachtig stofzuig, iets waar ik een hekel aan heb bij mezelf. Die gemakzucht! Verstrooidheid! Gebrek aan focus!

Grappig genoeg ligt in die waarneming nou net de innerlijke rust die ik met wortelen associeer, zelfs al ontdek ik onaangename dingen. Dat gaat bijvoorbeeld zo: ik neem waar dat wanneer ik dingen halfslachtig doe, dat dat dan komt doordat een deel van mij ergens anders naar toe is. Mijn hoofd is bezig met wat ik straks ga doen, of met wat die-en-die tegen me zeiden, of met wat er mis kan gaan of mogelijk al gegaan is. Aha! Nu ik dit heb waargenomen kan ik kiezen om daarmee door te gaan, met al dat zorgelijke denken, of even te stoppen en in mijn lijf te voelen wat er aan de hand is. Mijn innerlijk kind is ongerust, boos en angstig, voel ik nu. Ik zeg tegen mezelf dat dat mag. En dan rolt er zomaar het hele verhaal tevoorschijn, met tranen en alles en teleurstellingen en wrokkigheid en afgunst. Mijn drukke hoofd is het er niet mee eens, maar ik besluit te stoppen met stofzuigen en de verboden gevoelens alle ruimte te geven. En dan voltrekt zich een wonder: al die ‘foute gevoelens’ veranderen vanzelf in rust, in vrede. Dat is mijn wortelen, geloof ik. ‘Zie je nou wel!’ zeg ik tegen mijn hoofd, want ik heb toch wel graag het laatste woord ;).

Hoe zit dat bij jou? Wat merk je van jouw wortels? Weet je hoe je kunt aarden? Heb je heimwee naar dingen van vroeger? Het gevoel dat je niet helemaal jezelf kunt zijn? Mis je iets? Ik verneem het graag, en mogelijk kan ik bijdragen. Leve je wortels!

Wat voor mens ben jij?

“Ik ben niet zo’n Ave Maria-mens”, zegt Petra. Els stopt de partituur terug in haar tas.
Deze kleine scéne speelt zich af op de tennisclub. Petra is dirigente van een vrouwenkoor, Els houdt van muziek en heeft Petra een plezier willen doen, maar dat is niet gelukt. Want Petra is geen Ave Mariamens, en Els kennelijk wel.

Het zinnetje blijft in mijn hoofd hangen. Wat zegt Petra nou eigenlijk? Wat is een Ave Mariamens? De formulering roept bij mij op dat iemand die van het Ave Maria houdt ook nog allerlei andere kenmerken heeft. Bepaalde schoenen misschien, een voorkeur voor kathedralen in Rome, iemand van op vrijdag vis, belezen, burgerlijk? En als je geen Ave Mariamens bent, wat ben je dan? Ken je dan onbekendere maar veel interessantere muziekstukken en componisten? Ben je dan wel eens in Rusland geweest bijvoorbeeld? Heb je dan een paars regenjack in plaats van een gewone?

Je kunt meer soorten mensen zijn. Toetjesmensen, heb je. Familiemensen, vakantiemensen, hondenmensen (versus kattenmensen), groepsmensen, ANWB-types, schoenenmensen enzovoort.

Waarom zeggen we niet gewoon: ik houd niet van toetjes of ik draag het liefst hetzelfde regenpak als mijn man? Een hondenmens zijn zegt meer dan dat je van je hond houdt. Je weet dan van alles over opvoeden, rassen en regelgeving en dat strekt zich verder uit dan de hond. De ene hondenmens herkent de andere hondenmens van verre, zelfs zonder hond.

Willen we dan zo graag bij ‘ons soort mensen’ horen? En ons daarmee onderscheiden van anderen? In werkelijkheid zijn we in grote lijnen allemaal ‘ons soort mensen’, gewoon omdat we mens zijn. We hebben behoefte aan veiligheid, aan vrijheid, aan erkenning, aan liefde en aan elkaar, kijk er de piramide van Maslow nog maar eens op na.

Maar daarnaast zijn we ook allemaal een beetje anders. Mijn gereedschapskist, met daarin mijn talenten en tekortkomingen, ziet er net iets anders uit dan de jouwe. En dat maakt dat ik een onmisbaar deeltje van het grotere geheel ben. En jij ook.

De eland vindt dat gegeven eindeloos boeiend. Wat een diversiteit! En wat is het heerlijk dat wat voor jou geldt, niet voor mij hoeft te gelden. Beeld je eens in: je hoeft elkaar niet meer te overtuigen (dat lukt toch nooit), of te bestrijden. Je kunt gewoon jezelf zijn en daarnaast nieuwsgierig naar wie de ander is.

In deze tijd waarin wij leven wordt het met de dag gewoner om ingedeeld te worden in groepen. We krijgen, op grond van onze browsergeschiedenis, op onszelf afgestemde reclame. En daar leren we dan weer van hoe we bij onze groep moeten horen. Wat we eten, dragen en doen. Samen met ‘ons soort mensen’. Op Facebook is iedereen mooi en gelukt.

Daar geloof ik geen bal van. Ik geloof zelfs niet dat het wenselijk is. Volgens mij zijn we op aarde om onze mogelijkheden en gebreken te leren kennen, samen met elkaar, met vallen en opstaan, met vreugde en pijn. Dat zijn de zegeningen van op aarde zijn. En hoe meer je je eigen authentieke zelf bent, hoe meer kleur je geeft aan je mogelijkheden. Zo kunnen wij allemaal de wereld een beetje kleurrijker maken, net als in de natuur. Je wilt toch ook niet alleen nog maar esdoorns in het bos of paardenbloemen in de wei?

Wil je meer weten over jouw unieke gereedschapskist? Benieuwd naar welk ‘ons soort mens’ jij alleen bent? Maak dan een afspraak met mij voor een human design consult. Je human design is jouw unieke blauwdruk, gebaseerd op je geboortegegevens. Het combineert astrologie met numerologie, met chakraleer, i-tjing, de kabbala. We kunnen eruit aflezen hoe het gesteld is met je energie, je chakra’s, je poorten en kanalen. Wanneer je je eigen blauwdruk kent, kun je experimenteren met wat voor jou werkt, op ieder gebied van je leven.

Voor meer informatie en/of een afspraak voor een consult, mail annemarie@annevginkel.nl of kijk op de website van de eland (www.de-eland.nl).

Hanzehogeschool

De eerste opdracht voor de Eland was er meteen een voor drie weken, in Groningen maar liefst. Er kwam dus logeren bij kijken en de aanschaf van een auto. Met steun van de door mij beminden kwam dat alles soepel voor elkaar en toog ik  op een maandagochtend naar de Hanzehogeschool.

Daar is een hoop veranderd sinds ik er voor het laatst was, zo’n tien jaar geleden. Tot mijn ontzetting bleek er een enorme campus te zijn verrezen, met torenhoge gebouwen en slagbomen. De bijbehorende parkeerterreinen zijn er genummerd, net als op Schiphol. P4 was onvindbaar. Toch moest ik daar zijn, volgens mijn instructies en dus was het maar goed dat ik een half uurtje extra had genomen. Ik raak in de war van zulke plekken. Ook van parkeergarages, overdekte winkelcentra en Ikea.

Ook het gebouw bleek voorzien van windrichtingen, in combinatie met cijfers. Mijn kompas bood hier geen uitkomst, want Zuid bleek helemaal niet in het zuiden te liggen, het was maar een aanduiding. Uiteindelijk helpt in zulke omstandigheden nog steeds alleen maar, heel ‘old school’, de weg vragen aan een persoon. Dat is nog gezellig ook. Eenmaal in de juiste vleugel en op de juiste verdieping beland liep het verder gesmeerd. Ik had mij hevig voorbereid, zoals ik dat vroeger ook deed. Alle cases kende ik nagenoeg uit mijn hoofd en ook de criteria waarop de studenten beoordeeld zouden worden. Het ging hier namelijk om examens, op de ‘Hanze’ ‘proeves’ geheten.

Het woord ‘proeves’ geeft mij een associatie met Harry Potter. Dat je iets gevaarlijks hebt geleerd en dat het er dan nu op aankomt. Zo bleek het ook een beetje te zijn. De materie was geenszins veranderd. Het is nog steeds belangrijk om in selectie-, verzuim of adviesgesprekken structuur te kunnen aanbrengen, samen te kunnen vatten en bovenal goed te kunnen luisteren, zeker wanneer je Human Resource Management studeert.

De omstandigheden waren onvergelijkbaar met die van vroeger. De proeves moesten binnen een half uur geschied en beoordeeld zijn, de studenten stonden klappertandend van de spanning op de gang en de beoordelingsformulieren waren voorbedrukt, zodat er sprake kan zijn van een objectieve beoordeling, aangezien alle docenten dezelfde formulieren hanteren.

Zijn we niet wat doorgeschoten? 
Natuurlijk is het nog steeds zo dat de ene docent anders kijkt, anders doceert en anders beoordeelt dan de andere. Alleen is dat met deze algemene criteria in de hand onbespreekbaar geworden. Het is ook nog steeds zo dat de ene student harder werkt dan de andere, sympathieker is dan de andere, socialer is dan de andere.. Is dat eigenlijk erg? Wat is het nut van dit tijdsschema, van deze formulieren?

Wanneer je doorvraagt op deze zaken is het antwoord uiteindelijk: geld! Door zoveel mogelijk dingen te standaardiseren en het tempo op te schroeven hoopt men er financieel beter uit te komen. Daar eindigt het gesprek, want dat er bespaard moet worden is evident. Zelfs op een school. Wat leren wij onze jongeren eigenlijk op die manier? Dat geld alles rechtvaardigt? Willen we dat wel?

Gelukkig is nog steeds het merendeel van de docenten op de Hanze grenzeloos betrokken bij zijn of haar studenten. Dat betekent meteen dat ze heel hard moeten werken, want alle dingen die ze extra willen doen omdat een bepaalde student dat nodig heeft, moet in hun eigen tijd. De eland ziet mogelijkheden: acteursinzet in de lessen kan verlichting geven voor de docenten, bereidt studenten beter voor op hun ‘proeves’ en laat ze het effect van hun communicatie ervaren zodat ze ervan kunnen leren voordat ze erop beoordeeld worden.

De meeste docenten zien er wat in. Ook de mevrouw van het lectoraat Human Capital. Ze gaan proberen het erdoor te krijgen bij de mensen die er voor betaald worden om op de portemonnee te blijven zitten..

De eland gaat ervoor!